ECLI:NL:CRVB:2007:BB0252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over WAO-uitkering wegens onjuiste inkomensschatting
Appellant ontving sinds 1980 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een loononderzoek in 2001 stelde het UWV vast dat appellant in de jaren 1997-2000 verzwegen inkomsten had uit arbeid bij een bedrijf, waarop de WAO-uitkering werd verlaagd en deels ingetrokken. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 2003. Het UWV nam nadere besluiten in 2006 en 2007, maar deze bleken niet volledig te voldoen aan de wettelijke eisen. De Raad oordeelde dat het UWV de verzwegen inkomsten niet op een redelijke wijze had geschat, omdat het loon van appellant ten onrechte werd gelijkgesteld aan dat van metselaar of voorman, terwijl appellant vooral chauffeurs- en handwerkzaamheden verrichtte.
Verder was de feitelijke grondslag voor de schatting over 1997 onvoldoende, omdat gebruikte manurenregistraties onbetrouwbaar waren. Het UWV moest een nieuw besluit nemen met correcte inkomensschatting en toepassing van artikel 44 WAO Pro. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en op feiten gebaseerde inkomensschatting bij herziening van WAO-uitkeringen en bevestigt dat het bestuursrechtelijk oordeel niet gebonden is aan strafrechtelijke veroordelingen.
Uitkomst: Besluiten van het UWV die de WAO-uitkering verlagen wegens onjuiste inkomensschatting worden vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.