ECLI:NL:CRVB:2007:BA9911
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Centrale Raad van Beroep inzake sociale voorzieningen voormalig KNIL-militair
Verzoeker, een nagelaten betrekking van een gewezen militair van het voormalig Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL), verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om sociale voorzieningen toe te kennen zoals die golden voor militair personeel in 1949 en 1950. De minister weigerde een besluit te nemen en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de CRvB oordeelde dat de CRvB niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, omdat het verzoek niet ziet op een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet noch op diens nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden. Dit volgt uit eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de grootvader van verzoeker geen militair ambtenaar was volgens de Militaire Ambtenarenwet 1931. De bevoegdheid ligt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS).
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter zich onbevoegd zowel in de hoofdzaak als ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening. Het beroepschrift en verzoekschrift worden doorgezonden naar de ABRS. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening en zendt de zaak door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.