ECLI:NL:CRVB:2007:BA8306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf september 2002. Na een melding dat zij samenwoonde met betrokkene, voerde de sociale recherche een uitgebreid onderzoek uit, inclusief observaties, verhoren en dossieronderzoek. Hieruit bleek dat appellante en betrokkene vanaf augustus 2004 een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij zij beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.
Het College trok daarom de bijstand met ingang van 1 augustus 2004 in en vorderde de kosten over de periode tot november 2004 terug. Appellante had nagelaten dit te melden, waardoor het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering op grond van de WWB en de gemeentelijke beleidsregels.
De Raad oordeelde dat het bewijs, waaronder observaties en verklaringen, voldoende was en dat de beleidsregels van het College niet onredelijk waren. De stelling van appellante dat verklaringen onjuist waren weergegeven, werd verworpen. Ook de door appellante aangevoerde schuldsanering vormde geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigde het bestreden vonnis en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.