ECLI:NL:CRVB:2007:BA7743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/7197 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid en psychische klachten

Betrokkene ontvangt sinds 1978 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Vanaf 25 augustus 1998 meldt hij zich vanuit Portugal toegenomen arbeidsongeschikt. Appellant weigert de uitkering te herzien omdat de toename van de arbeidsongeschiktheid naar zijn oordeel voortkomt uit een andere oorzaak dan het syndroom van Kallman.

De rechtbank verklaart het beroep van betrokkene gegrond en vernietigt het bestreden besluit, omdat appellant onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet samenhangt met het syndroom van Kallman. De Raad bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de psychische klachten onderdeel zijn van een progressieve somatische aandoening.

Appellant brengt in hoger beroep geen nieuwe feiten aan. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene en heft griffierecht. De uitkering wordt herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, waarbij psychische klachten buiten de verzekering worden gelaten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

04/7197 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2004, 02/5494 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 24 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Voor betrokkene is verschenen mr. Desloover voornoemd. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene ontvangt sedert 17 augustus 1978 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk sedert 1 juni 1998 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Hij heeft zich vanuit Portugal toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 25 augustus 1998. Op 16 januari 2001 heeft appellant geweigerd betrokkenes uitkering te herzien omdat de toename van betrokkenes arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van appellant kennelijk het gevolg was van een andere oorzaak dan ter zake waarvan betrokkene uitkering ontving.
In het kader van de vijfdejaars herbeoordeling heeft appellant het Portugese uitvoeringsorgaan verzocht een onderzoek in te stellen naar appellants gezondheidstoestand. Van het Centro Nacional de Pensões heeft appellant een formulier E 213 ontvangen, waaruit naar voren komt dat betrokkene in verband met het syndroom van Kallman en een ernstige endogene depressie volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bij besluit van 28 mei 2002 heeft appellant betrokkenes uitkering met ingang van 1 mei 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%. Hieraan ligt een beoordeling ten grondslag volgens welke betrokkenes psychische klachten buiten de verzekering vallen en derhalve niet in aanmerking worden genomen. Op grond van zijn lichamelijke klachten, voortvloeiend uit het syndroom van Kallman, moet betrokkene 25 tot 35% arbeidsongeschikt worden geacht.
Bij het bestreden besluit van 20 november 2002 heeft appellant zijn besluit van 28 mei 2002 na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak betrokkenes beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan de orde is de vraag of betrokkenes psychische klachten kennelijk zijn voortgekomen uit een andere oorzaak dan het syndroom van Kallman ter zake waarvan hij WAO-uitkering ontvangt en dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad in geval van twijfel over dit oorzakelijk verband de balans ten voordele van de betrokkene dient door te slaan. Zij is - kort gezegd - tot het oordeel gekomen dat appellant onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd op welke gronden de arbeidsongeschiktheid van betrokkene kennelijk uit een andere oorzaak voortvloeit dan ter zake waarvan hij uitkering ontvangt en signaleert daarbij dat uit de gedingstukken een beeld naar voren komt dat sprake is van een progressieve somatische aandoening waarbij in de loop der tijd ook de psychische klachten zijn verergerd. De enkele omstandigheid dat betrokkenes psychische klachten bij de vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in 1998 niet tot opname van een beperking in het belastbaarheidspatroon hebben geleid, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat thans een oorzakelijk verband als in geding afwezig is. Evenmin kan die afwezigheid worden afgeleid uit het feit dat betrokkene geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 16 januari 2001 waarbij is geweigerd zijn uitkering te herzien in verband met per 25 augustus 1998 toegenomen arbeidsongeschiktheid, nu het thans gaat om een datum in 2001, aldus de rechtbank.
De Raad kan zich geheel vinden in deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, bevat geen nieuwe aspecten die niet reeds door de rechtbank in haar overwegingen zijn meegenomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in verband met de kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.