ECLI:NL:CRVB:2007:BA6722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk bij geschil over WAO-uitkering en arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van 29 december 2004 van het Uwv waarin zijn WAO-uitkering en mate van arbeidsongeschiktheid per 19 april 2004 was vastgesteld op 35 tot 45%.
De rechtbank Breda had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Tijdens de procedure stelde het Uwv bij besluit van 1 juni 2006 de arbeidsongeschiktheid vast op 45 tot 55%, mede gebaseerd op een verhoging van het maatmanloon.
De Raad oordeelt dat appellant geen belang heeft bij het hoger beroep tegen het vernietigde besluit van 29 december 2004, omdat alle gronden daarin aan de orde kunnen komen bij de beoordeling van het besluit van 1 juni 2006. Het hoger beroep tegen het besluit van 29 december 2004 wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep tegen het besluit van 1 juni 2006 wordt ongegrond verklaard. Appellant heeft psychische klachten die het Uwv heeft beoordeeld, en lichamelijke klachten zijn niet voldoende onderbouwd om het oordeel van het Uwv te weerleggen. Ook het maatmanloon is volgens de Raad juist vastgesteld.
De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van €322 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €105.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit van 29 december 2004 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 1 juni 2006 ongegrond.