ECLI:NL:CRVB:2007:BA6650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na niet verschijnen op werk na vakantie
Appellante was sinds 1998 werkzaam als schoolassistent en haar arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 januari 2005. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Dit omdat zij niet op het werk verscheen op de afgesproken datum na haar vakantie, ondanks dat zij een week uitstel had gekregen. Appellante stelde dat zij niet verwijtbaar werkloos was en dat haar ontslag niet te wijten was aan het niet verschijnen, maar aan het niet geloven van de werkgever in een inbraak in haar woning.
De Raad nam de verklaring van een getuige in overweging en concludeerde dat appellante niet had gemeld dat zij door haar geboekte terugvlucht niet op tijd kon verschijnen. De werkgever had haar meerdere keren verzocht zich te melden en had op 30 augustus 2004 de arbeidsovereenkomst beëindigd vanwege het niet verschijnen. De Raad oordeelde dat appellante had moeten weten dat haar gedrag tot ontslag zou leiden en dat het niet verschijnen haar verwijtbaar was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd. De Raad kende een vergoeding toe aan de getuige.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid.