ECLI:NL:CRVB:2007:BA6278

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-18 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onduidelijke beperkingen in FML

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te verlagen naar een arbeidsongeschiktheid van 15–25% per 13 oktober 2003. Hij stelde dat zijn beperkingen door rugklachten ernstiger waren dan door het UWV aangenomen. De rechtbank verwierp dit op basis van een brief van de orthopedisch chirurg en de verzekeringsarts.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, maar constateerde dat in de aanvankelijk gebruikte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verborgen beperkingen waren opgenomen die niet voldoende waren toegelicht. Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

In hoger beroep werd dit gebrek hersteld met een aangepaste FML. Hoewel hierdoor niet alle aanvankelijk als geschikt beoordeelde functies gehandhaafd konden worden, bleven er voldoende functies over en veranderde de mate van arbeidsongeschiktheid niet. Daarom liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan appellant, inclusief het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 mei 2007.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onduidelijkheden in de FML, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

05/18 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 december 2004, 04/204,
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, schriftelijk geantwoord op een vraag van de Raad en bij brief van 9 maart 2007 een nadere arbeidskundige toelichting ingezonden, die is opgesteld aan de hand van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 21 januari 2004, waarbij hij heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 19 augustus 2003 tot verlaging van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 oktober 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15–25 %.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de voor hem op 13 oktober 2003 als gevolg van zijn rugklachten bestaande beperkingen zwaarder zijn dan door het Uwv is aangenomen. In dat verband beroept appellant zich opnieuw op de brief van de hem behandelende orthopedisch chirurg van 29 april 2004. Deze grond is door de rechtbank verworpen. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de brief van 29 april 2004 blijkt dat appellant is aangewezen op absoluut rugsparende arbeid, hetgeen overeenstemt met de door de verzekeringsarts getrokken conclusie. De Raad kan het oordeel van de rechtbank onderschrijven dat uit de brief van 29 april 2004 niet blijkt dat ernstiger arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen dan door de verzekeringsarts in de FML zijn neergelegd.
Niettemin ziet de Raad aanleiding tot de vernietiging van de aangevallen uitspraak. De reden hiervoor is dat in de aanvankelijk gebruikte FML zogenaamde verborgen - en in het geding in eerste aanleg niet (afdoende) toegelichte - beperkingen voorkomen. Daarom is het inleidende beroep gegrond en moet het bestreden besluit als in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.
Het hiervoor genoemde gebrek is in hoger beroep hersteld. Uit de in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapportage blijkt weliswaar dat door de bijstelling van de FML niet alle aanvankelijk als geschikt geduide functies kunnen worden gehandhaafd, maar desondanks resteren er voldoende functies en wijzigt de mate van arbeidsongeschiktheid niet. Hierin vindt de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van appellant wegens de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op € 322,- voor het geding bij de rechtbank en € 322,- voor het hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellant.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
JL