ECLI:NL:CRVB:2007:BA5465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het UWV had de uitkering ingetrokken omdat appellant per 28 november 2002 niet langer in relevante mate arbeidsongeschikt was.
De rechtbank had geoordeeld dat de door het UWV aangenomen beperkingen juist waren, mede gebaseerd op rapportages van verzekeringsartsen die ook op de hoogte waren van de knie- en hartklachten van appellant. De rechtbank vond geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en volledigheid van het medisch onderzoek door het UWV.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met nadere informatie die volgens hem de mate van arbeidsongeschiktheid onderschatte. De Raad overwoog dat deze informatie betrekking had op tijdstippen na de datum van intrekking en dat deze informatie reeds bekend was bij de verzekeringsartsen. Ook ontbrak een medische onderbouwing dat de latere medische problemen reeds van invloed waren op de beperkingen op de datum in geding.
De Centrale Raad van Beroep zag geen aanleiding voor nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.