ECLI:NL:CRVB:2007:BA5313

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2846 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens termijnoverschrijding betaling griffierecht in hoger beroep WAO

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Assen in een zaak betreffende de WAO. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant deed hiertegen verzet en voerde aan dat hij geen inkomsten had en van hulp van familie en vrienden leefde.

Tijdens de zitting verscheen appellant persoonlijk, terwijl het UWV zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad stelde vast dat het griffierecht pas na de termijn was voldaan en dat appellant geen verzoek om uitstel van betaling had ingediend binnen de termijn. De omstandigheden die appellant aanvoerde, waren onvoldoende om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het verzet ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 3 mei 2007.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens te late betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/2846 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 april 2006, kenmerk 04/627 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 7 november 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 7 november 2006 heeft appellant verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007 waar appellant in persoon is verschenen en waar het Uwv zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 7 november 2006 berust hierop, dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij brief van 31 juli 2006 gestelde termijn, welke eindigde op 28 augustus 2006, is bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie is betaald. Het verschuldigde griffierecht is eerst op 9 november 2006 op de rekening van de Raad bijgeschreven.
In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant aangegeven dat hij ten tijde van de uitnodiging van het griffierecht geen inkomsten had en dat hij van de hulp van familie en vrienden leefde. Ter zitting heeft appellant nog aangegeven telefonisch contact te hebben gehad met de griffie van de Raad.
De Raad oordeelt als volgt.
Niet in geschil is dat het griffierecht niet tijdig is betaald. Vast staat voorts dat appellant niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht betaald diende te worden de Raad om uitstel van betaling heeft verzocht. De omstandigheden die appellant in het verzet - voor het eerst - heeft aangevoerd doen hieraan niet af.
De Raad is voorts niet gebleken van omstandigheden waardoor appellant niet in staat zou zijn geweest het griffierecht tijdig te voldoen dan wel een verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht in te dienen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J. Janssen.
RB2504