ECLI:NL:CRVB:2007:BA5129

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06 - 4107 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ANWArt. 22 Verdrag sociale zekerheid Nederland-MarokkoArt. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering nabestaandenuitkering wegens niet-verzekerd zijn van overleden echtgenoot

Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 2004. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering omdat de echtgenoot niet verzekerd was volgens de ANW ten tijde van zijn overlijden. Deze weigering werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Amsterdam.

In hoger beroep stond centraal of de echtgenoot van appellante verzekerd was onder de ANW. De Raad overwoog dat volgens artikel 13 van Pro de ANW alleen personen die ingezetene zijn of in Nederland werken verzekerd zijn. Aangezien de echtgenoot in Marokko woonde en niet meer in Nederland werkte, was hij niet verzekerd. Daarnaast was niet gebleken dat hij verzekerd was volgens de Marokkaanse wetgeving, waardoor ook op grond van het Verdrag sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko geen recht op uitkering bestond.

Verder werd opgemerkt dat een eerdere regeling (artikel 26 KB Pro 746) die verzekerde personen buiten Nederland die een AOW-pensioen ontvingen, per 1 januari 2000 was vervallen. De echtgenoot had zich niet vrijwillig verzekerd na die datum. De Raad concludeerde dat appellante geen recht heeft op de nabestaandenuitkering en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

06/4107 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2006, 05/3975 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 19 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante woont in Marokko en is gehuwd geweest met de heer H. el [B.]. De echtgenoot van appellante ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 2 augustus 2004 is hij in Marokko overleden. Vervolgens heeft appellante aan de Svb verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan haar toe te kennen.
Bij beslissing op bezwaar van 22 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 24 mei 2005 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaanden-uitkering aan appellante toe te kennen, omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Daarbij heeft de Svb erop gewezen dat met ingang van 1 januari 2000 artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746) is vervallen en dat de echtgenoot van appellante zich vanaf die datum niet heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering krachtens de ANW. Voorts is overwogen dat ook op grond van artikel 22 van Pro het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: het Verdrag) geen recht bestaat op een Nederlandse nabestaandenuitkering, nu niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen.
De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat zij recht heeft op een ANW-uitkering omdat zij arbeidsongeschikt is en onder medische behandeling staat.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of de Svb terecht heeft geoordeeld dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de ANW. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 13 van Pro de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Marokko woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.
Voorts was op grond van artikel 26 van Pro KB 746, zoals dit artikel luidde tot
1 januari 2000, kort samengevat, ook verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld een ouderdomspensioen krachtens de AOW, ontving ter hoogte van ten minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Personen, zoals de echtgenoot van appellante, die tot
1 januari 2000 verplicht verzekerd waren krachtens de volksverzekeringen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren krachtens onder meer de ANW. Niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op 2 augustus 2004 niet meer verzekerd was krachtens de ANW, zodat geen aanspraak kan bestaan op een nabestaandenuitkering krachtens die wet.
Tot slot stelt de Raad vast dat door appellante niet is betwist dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 22 van Pro het Verdrag geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.
(get.) H.J. Simon.
(get.) A. Kovács.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Déclare le recours fondé
Par conséquent, décidée par M. le maître H.J. Simon en qualité de président, en présence de A. Kovács en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 19 avril 2007.
(signé) H.J. Simon.
(signé) A. Kovács.
Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.
TG13042007