ECLI:NL:CRVB:2007:BA5127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens passende arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 27 oktober 2003 waarbij zijn WAO-uitkering werd beëindigd per 15 december 2003, omdat hij ondanks rug- en schouderklachten in staat zou zijn minstens 85% van zijn maatmanloon te verdienen met passende werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure werden aanvullende stukken en een arbeidskundige toelichting overgelegd. De Raad nam deze stukken mee in zijn beoordeling, ondanks bezwaren van appellant, omdat appellant geen vervolgzitting wenste en adequaat kon reageren.
De Raad oordeelde dat de arbeidsbeperkingen van appellant niet zijn onderschat in de besluitvorming van het UWV en dat geen medische informatie was die het oordeel van de verzekeringsarts ondermijnde. De aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst en de arbeidskundige toelichting overtuigden de Raad dat appellant de belastbaarheid van de geduide functies aankan.
De Centrale Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaarde het hoger beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht aan appellant vergoeden.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, het hoger beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.