ECLI:NL:CRVB:2007:BA5094

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4974 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toepassingsbeperking art. 43a WAO

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen werd bevestigd. Het verzoek tot herziening van het besluit uit 1989 werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren vastgesteld die een ander oordeel over de arbeidsongeschiktheid per 10 augustus 1988 rechtvaardigen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat toetsing op grond van artikel 43a van de WAO niet van toepassing is, aangezien appellant niet tot de kring van verzekerden behoorde die na 30 december 1990 geen uitkering kregen toegekend. De arbeidsongeschiktheid per 2 juni 1998 is niet relevant voor de WAO-uitkering omdat appellant op dat moment niet verzekerd was.

Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing van het UWV blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en de niet-toepasselijkheid van artikel 43a WAO.

Uitspraak

05/4974 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 14 juli 2004, 05/1076 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellant is, met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 18 mei 1989 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
10 augustus 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
Bij uitspraak van 27 april 1994 heeft de Raad het ter zake van voornoemd besluit ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak heeft de Raad de rapportages van de door de rechtbank Amsterdam geraadpleegde deskundigen, de neuroloog dr. P. Fleury en de zenuwarts dr. J.A.H. Koelen van belang geacht.
Bij brief van 14 februari 2004 is namens appellant verzocht om herziening van het besluit van 18 mei 1989, dan wel om toekenning van een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid per 2 juni 1998.
Bij besluit van 28 mei 2004 heeft het Uwv te kennen gegeven niet te zullen terugkomen op het besluit van 18 mei 1989, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Voorts is meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheid per 2 juni 1998 niet is ingetreden binnen vijf jaar na het vervullen van de wachttijd per 10 augustus 1988, zodat appellant op grond van artikel 43a van de WAO geen recht heeft op toekenning van een WAO-uitkering.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het standpunt van het Uwv onderschreven dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een ander licht werpen op appellants gezondheidssituatie per 10 augustus 1988.
De Raad kan zich verenigen met dit oordeel van de rechtbank.
Voorts kan de Raad zich ook vinden in de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de in algemene bewoordingen geclaimde arbeidsongeschiktheid met ingang van
2 juni 1998. Vaststaat dat appellant op die datum niet tot de kring van verzekerden voor de WAO behoorde.
De rechtbank heeft voorts terecht opgemerkt dat toetsing aan de hand van artikel 43a van de WAO niet aan de orde is en hierbij verwezen naar vaste jurisprudentie van de Raad (LJN AD9471). Enkel personen aan wie op of na 30 december 1990 per einde wachttijd geen WAO-uitkering toegekend hebben gekregen kunnen aan deze bepaling aanspraken ontlenen.
Het hoger beroep faalt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
MK