ECLI:NL:CRVB:2007:BA4479

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3979 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 109.5 RRAZArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling berekening referte-inkomen en garantietoelage bij invoering Honoreringsregeling 1999

Appellant, werkzaam als medisch specialist bij het Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG), voerde naast zijn ambtelijke aanstelling een vrije praktijk met zelfstandig declaratierecht voor particuliere patiënten. Met de invoering van de Honoreringsregeling 1999 verviel deze mogelijkheid, en werd een overgangsregeling getroffen waarbij het oude inkomen werd gefixeerd en gecompenseerd met een garantietoelage.

Appellant betwistte de berekening van zijn referte-inkomen, omdat de inhoudingen van 21% administratiekosten en 10% vereveningsfonds op zijn particuliere honoraria niet in aanmerking waren genomen als kostenposten. Hij stelde dat deze inhoudingen als kosten van de praktijk moesten worden beschouwd, vergelijkbaar met kosten die een zelfstandige ondernemer zou maken.

De Raad oordeelde dat onder inkomsten uit particuliere honoraria moet worden verstaan hetgeen daadwerkelijk aan declaratie-inkomsten is ontvangen. De inhoudingen van 21% en 10% behoren niet tot het inkomen omdat appellant geen aanspraak had op deze bedragen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

04/3979 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 juni 2004, voor zover betreffende 02/707 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 26 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 7 april 2005 heeft de gemachtigde van appellant de Raad bericht het hoger beroep gedeeltelijk in te trekken.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Daarbij is deze zaak samen met de soortgelijke zaken 04/3972 AW en 04/3973 AW gevoegd behandeld. Van de zijde van appellant is, zoals tevoren bericht, niemand verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.Th. Snoek, advocaat te Amsterdam, en [betrokkene], werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: AZG). Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als [naam functie], bij het AZG. Naast zijn ambtelijke aanstelling, voor 50% bij het AZG en 50% bij de Rijksuniversiteit Groningen, voerde appellant in het ziekenhuis een zogenoemde “vrije praktijk”, waarbij hij een zelfstandig declaratierecht had voor de behandeling van particuliere patiënten. Die declaraties werden verzonden en geïnd door het AZG, waarna de geïnde bedragen onder aftrek van kosten werden gestort op een rekening van de Stichting Centrale Inning van het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: SCI). De SCI diende erop toe te zien dat die extra inkomsten overeenkomstig de vastgestelde verdelingsregeling werden uitbetaald aan de specialisten met een zelfstandig declaratierecht. Op basis van een overeenkomst tussen de SCI en het AZG zijn (ook) de administratieve werkzaamheden, noodzakelijk voor de uitbetaling van de aan de medisch specialisten toekomende honoraria, opgedragen aan het AZG. Van de geïnde bedragen werd ten behoeve van het AZG 21% ingehouden voor administratiekosten en compensatie voor - kort gezegd - de minder in rekening te brengen verpleegprijs. Daarnaast werd 10% ingehouden ten behoeve van een vereveningsfonds voor alle aan het AZG verbonden medisch specialisten.
1.2. Op 1 juni 1999 is de Honoreringsregeling 1999, neergelegd in hoofdstuk 14a van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (hierna: RRAZ), in werking getreden. Die regeling houdt onder meer in dat per 1 juni 1999 voor academisch medisch specialisten nieuwe salarisschalen worden ingevoerd en dat de mogelijkheid om naast de ambtelijke aanstelling een vrije praktijk te voeren is komen te vervallen. Voor de medisch specialist wiens totale bruto jaarinkomen bij inwerkingtreding van de Honorerings-regeling hoger is dan het maximuminkomen dat hij kan genieten op basis van de voor hem geldende nieuwe schaal (inclusief toelagen verzwarende omstandigheden of 24-uursdiensten) is een overgangsregeling getroffen.
1.3. Die overgangsregeling, neergelegd in artikel 109.5 van het RRAZ, houdt in dat het bruto jaarinkomen van de medisch specialist van vóór 1 juni 1999 wordt gefixeerd en gedurende maximaal 5 jaar op dat niveau wordt gegarandeerd. Het verschil tussen het oude inkomen en het nieuwe salaris (dit laatste gebaseerd op een inschaling op het maximum van de voor de specialist geldende schaal plus eventuele toelagen) wordt daartoe gecompenseerd met een ambtelijke toelage (garantietoelage). Onder het oude inkomen wordt verstaan het ambtelijk inkomen en het bedrag dat de medisch specialist vóór 1 juni 1999 aan inkomsten uit particuliere honoraria gemiddeld ontvangen heeft in de jaren 1996/1997/1998, omgerekend naar ambtelijk inkomen.
1.4. Bij besluit van 22 juni 2001 heeft het bestuur appellant opnieuw ingeschaald met toepassing van hoofdstuk 14a van het RRAZ. Daarbij is appellant ingeschaald op het maximum van de voor hem geldende salarisschaal en is aan hem met toepassing van artikel 109.5 van het RRAZ een ambtelijke toelage toegekend als onder 1.3. bedoeld. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 juni 2002.
1.5. De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
2.1. Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
2.2. Appellant heeft bij zijn in rubriek I genoemde brief van 7 april 2005 medegedeeld het hoger beroep nog slechts te handhaven “met betrekking tot de vaststelling van het referte- inkomen”. De Raad beperkt zich derhalve tot het beoordelen van deze grief en zal hetgeen overigens in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd buiten bespreking laten.
3.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn inkomsten uit particuliere honoraria niet juist zijn berekend. Zijns inziens moeten onder ontvangen inkomsten uit particuliere honoraria ook worden begrepen de daarop ingehouden bedragen bedoeld onder 1.1. en dienen die inhoudingen als kostenpost te worden aangemerkt met betrekking tot de winst uit de particuliere praktijk. Appellant had er ook voor kunnen kiezen de administratie volledig in eigen beheer te houden. Hij zou dan zelf de volledige declaratie-inkomsten hebben ontvangen en eventueel een vergoeding hebben moeten betalen aan het AZG. Bij een zelfstandig ondernemer zullen er, aldus appellant, nagenoeg altijd kosten op het inkomen drukken, zoals reiskosten, kosten verband houdende met een fiscale opstelling en fiscale aangifte, kosten pensioenvoorziening e.d. Indien de zienswijze van de rechtbank wordt gevolgd, wordt er op een volstrekt willekeurige wijze - afhankelijk van een toevallige boekhoudkundige inrichting - een definitie gegeven van inkomen en inkomsten.
3.2. De Raad volgt appellant hierin niet. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat onder de inkomsten bedoeld in het eerste lid van artikel 109.5 van het RRAZ moet worden verstaan hetgeen destijds daadwerkelijk aan declaratie-inkomsten is ontvangen en dat daaruit logischerwijs volgt dat andere gelden, zoals de op die declaratie-inkomsten in mindering gebrachte percentages van 21% en 10%, daarvan - als niet daadwerkelijk genoten - geen deel kunnen uitmaken.
3.3. De Raad kan dit oordeel van de rechtbank onderschrijven. Zoals de Raad ook al heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 februari 2005, LJN AS8562, is de vaststelling van het referte-inkomen van belang voor de berekening van de garantietoelage. Het doel van die toelage is te voorkomen dat de betrokken specialist door het verlies van zijn praktijk-inkomsten bij de invoering van de Honoreringsregeling er in inkomen op achteruit gaat. Een redelijke uitleg brengt dan ook met zich dat onder de inkomsten uit particuliere honoraria wordt verstaan: datgene waarop over de referteperiode daadwerkelijk aanspraak bestond. Appellant had, gelet op de voorwaarden waaronder hij in het AZG een vrije praktijk uitoefende, geen aanspraak op de door het AZG in te houden bedragen.
Dit geldt niet alleen voor de 21% aan administratiekosten en compensatie, maar ook voor de 10% ten behoeve van het vereveningsfonds. De Raad merkt hierbij terzijde op dat deze voorwaarden in de uitspraak van de Raad van 3 augustus 2006, LJN AY6141, gewezen in zaken tussen enkele collega’s van appellant en het bestuur, niet onaanvaardbaar zijn geacht. Het feit dat die gelden niet aan het AZG ten goede kwamen, maar aan andere specialisten, maakt een en ander niet anders. Van enige vorm van vrijwilligheid ten aanzien van de inhouding of rechtstreekse invloed op de besteding van de ingehouden bedragen was bij de individuele specialist geen sprake. Voorts is van de zijde van het AZG, door appellant onbestreden, gesteld dat de toelagen die uit het vereveningsfonds aan specialisten zijn verstrekt, bij die specialisten in aanmerking zijn genomen bij hun inschaling op grond van de Honoreringsregeling.
4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) R.A. Huizer.
HD
23.04