ECLI:NL:CRVB:2007:BA4286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens niet tijdig beslissen op bezwaar tegen terugvordering ZW-uitkering
Betrokkene ontving vanaf 16 januari 2004 een Ziektewetuitkering. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, legde op 16 juli 2004 een boete op wegens het niet melden van inkomsten uit arbeid en stelde een terugvordering vast over de periode 26 april tot 16 mei 2004.
Betrokkene diende op 27 juli 2004 bezwaar in tegen het boetebesluit, dat op 24 september 2004 werd herroepen. Vervolgens stelde betrokkene beroep in tegen dat besluit. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gegrond en vernietigde het fictieve besluit, terwijl het beroep tegen het boetebesluit niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Centrale Raad oordeelt dat het bezwaarschrift ook gericht was tegen het terugvorderingsbesluit en dat het besluit van 27 oktober 2004 als besluit op dat bezwaar moet worden aangemerkt. Hierdoor is het beroep mede tegen dit besluit gericht en moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de zaak worden terugverwezen voor nadere behandeling.
De Raad benadrukt dat de rechtbank moet beoordelen of het besluit van 27 oktober 2004 het bezwaar geheel tegemoetkomt en of het besluit in stand kan blijven. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer op 2 mei 2007.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor nadere behandeling.