ECLI:NL:CRVB:2007:BA4109

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6865 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herzieningsbesluit arbeidsongeschiktheid met instandhouding rechtsgevolgen

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV tot herziening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering per 4 februari 2004, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 15 tot 25%.

De rechtbank had het besluit bevestigd, maar appellant stelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen onzorgvuldig waren en niet voldeden aan de door de Raad geformuleerde eisen. De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de rapportages van de verzekeringsartsen en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Nieuwe medische informatie bracht geen ander oordeel mee omdat deze betrekking had op een latere periode.

Ook de arbeidskundige beoordeling werd als voldoende gemotiveerd en inzichtelijk beoordeeld. De Raad vernietigde het bestreden besluit vanwege gebrekkige motivering, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand conform artikel 8:72 Awb Pro.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten aan appellant en tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het herzieningsbesluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

04/6865 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 november 2004, 04/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Hemelaar, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.J.C. van de Laak, opvolgend gemachtigde van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht en op goede gronden de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 4 februari 2004 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van 8 april 2004 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de verzekeringsarts M.C. Huijsman ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 4 februari 2004 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit 20,57% bedraagt.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het oordeel van zowel de verzekeringsarts Huijsman als bezwaarverzekeringsarts M. Keus op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat daarmee de medische belastbaarheid van appellant ten onrechte onjuist is vastgesteld. Voorts is aangevoerd dat de arbeidskundige beoordeling niet voldoet aan de zwaardere eisen welke door de Raad zijn geformuleerd in zijn uitspraken van 9 november 2004 met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.
De Raad overweegt als volgt.
Voor wat betreft het medische gedeelte kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest en is uit de opgevraagde informatie van de orthopedisch chirurg V.J. Rudolphy niet gebleken dat de belastbaarheid van appellant niet juist is vastgesteld. Door appellant is in hoger beroep medische informatie in geding gebracht. Deze informatie heeft de Raad niet tot een ander oordeel doen leiden, omdat deze betrekking heeft op een behandeling die een jaar na de datum in geding is aangevangen en niet is komen vast te staan dat de bevindingen daaruit ten tijde in geding reeds relevant waren. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de voor appellant aangenomen beperkingen berusten op een voldoende draagkrachtige motivering en acht de Raad het niet aangewezen om een deskundige in te schakelen.
Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting, stelt de Raad vast dat een deugdelijke toelichting waarom de geduide functies passend zijn geacht voor appellant, in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige A. Hols, in antwoord op een brief van de Raad van 10 maart 2005. Naar het oordeel van de Raad zijn met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Hols de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies uiteindelijk voldoende en adequaat toegelicht en is hiermee op voldoende wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. Appellants grief hieromtrent faalt daarom.
De vaststelling dat eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke onderbouwing leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep, op € 644,-- in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Gunter.
JL