ECLI:NL:CRVB:2007:BA2007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige beoordeling
Appellant, die aanvankelijk als zelfstandige werkte en later in loondienst trad, viel in juli 2000 uit wegens psychische klachten. In 2003 vroeg hij een WAO-uitkering aan, die door het UWV in april 2004 werd geweigerd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn per 9 juli 2001. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard in september 2004. De rechtbank Arnhem bevestigde dit besluit in maart 2005, stellende dat het UWV zorgvuldig en voldoende gemotiveerd had gehandeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek door de primaire verzekeringsarts onvolledig en onzorgvuldig was, en dat de bezwaarprocedure onvoldoende zorgvuldig was omdat appellant niet apart en vertrouwelijk was onderzocht. De Raad stelde vast dat in bezwaar een volledige heroverweging moet plaatsvinden om eventuele gebreken in de primaire fase te herstellen. Hoewel de primaire arts meer had kunnen doen, waren er in bezwaar voldoende medische stukken die een stressreactie en geen psychische stoornis aantoonden.
De Raad concludeerde dat een aanvullend onderzoek in de bezwaarprocedure niet noodzakelijk was, mede gezien de aard van de klachten en de bestaande persoonlijkheidsproblematiek die appellant niet belemmerde jarenlang zelfstandig te werken. Ook verslechteringen na de datum van beoordeling deden hieraan niet af. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering bevestigd.