ECLI:NL:CRVB:2007:BA1978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellant stelde zich in hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 7 april 2004, waarbij het recht op WAO-uitkering per 1 maart 2004 werd beëindigd. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het aan de verzekeringsarts toekomt om beperkingen voor arbeid vast te stellen op basis van medische gegevens.
De verzekeringsartsen hadden op basis van informatie van de psychiater vastgesteld dat alleen de psychische belastbaarheid van appellant verminderd was, zonder dat er sprake was van onvoldoende informatie. Appellant leverde geen aanvullende objectieve medische stukken die twijfel konden doen ontstaan over deze vaststelling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsartsen onvoldoende deskundig waren om zijn psychische klachten te vertalen in arbeidsbeperkingen. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank deze grieven voldoende had gemotiveerd en dat de informatie van de psychiater niet was miskend.
De Raad zag geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 1 maart 2004.