ECLI:NL:CRVB:2007:BA1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- E. Dijt
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens ontbreken rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, afkomstig uit Marokko, had tot 29 mei 1999 rechtmatig verblijf in Nederland op grond van verblijf bij zijn echtgenote. Na ontwrichting van het huwelijk werd zijn verblijfsvergunning ingetrokken. Vanaf 23 juni 2000 werkte hij via een uitzendbureau en meldde zich op 22 december 2000 ziek, waarna hij ziekengeld aanvroeg.
Het UWV weigerde ziekengeld met ingang van 29 augustus 2001 omdat appellant geen rechtmatig verblijf had. Na bezwaar werd dit besluit herroepen en het ziekengeld opgeschort per 8 oktober 2001. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen opschorting gegrond, maar bij de aangevallen uitspraak werd het beroep tegen de weigering ongegrond verklaard omdat appellant geen rechtmatig verblijf had en niet als werknemer in de zin van de Ziektewet kon worden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant op de beoordelingsdatum niet als werknemer kon worden beschouwd omdat hij geen verblijfsvergunning had en niet in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid verrichtte. Ook het beroep op artikel 41 ZW Pro faalde omdat dit artikel alleen geldt indien rechtmatig verblijf voorafging aan onrechtmatig verblijf. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld bevestigd wegens ontbreken rechtmatig verblijf en arbeidstoestemming.