ECLI:NL:CRVB:2007:BA1856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ongeoorloofde afwezigheid
Appellante trad op 1 april 2004 in dienst bij haar werkgever en kreeg op 10 december 2004 een laatste waarschuwing wegens eerdere ongeoorloofde afwezigheid. Begin 2005 ging zij op vakantie naar Curaçao. Door het faillissement van haar vliegtuigmaatschappij kon zij niet op de afgesproken datum 7 februari 2005 op haar werk verschijnen. Zij probeerde de werkgever hiervan via e-mail op de hoogte te stellen, maar deze e-mail bereikte de werkgever niet.
Op 7 februari 2005 verscheen appellante niet op het werk en de werkgever kon haar niet bereiken. Op 8 februari 2005 werd zij op staande voet ontslagen. Het UWV weigerde vervolgens de WW-uitkering met ingang van die datum wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden omdat zij, ondanks de waarschuwing, niet tijdig en effectief contact had gezocht met haar werkgever om haar afwezigheid te melden. Haar verklaring dat telefonisch contact onmogelijk was, werd niet geloofd. Het risico dat de e-mail niet aankwam, kwam voor haar rekening. Hierdoor was het ontslag en de weigering van de WW-uitkering terecht.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.