AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vergoeding kosten rapporten Instituut Psychosofia in WAO-uitkeringszaak
Appellant stelde hoger beroep in tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam inzake zijn WAO-uitkering en de vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten. Het UWV had aanvankelijk het bezwaar ongegrond verklaard, maar bij een nader besluit toegekend met een uitkering en een beperkte vergoeding van rechtsbijstandskosten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het latere besluit ongegrond en wees de vergoeding van kosten voor rapporten van Instituut Psychosofia af. Appellant betwistte deze afwijzing en stelde dat deze kosten wel vergoed moesten worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond verklaarde en dat de kosten van de rapporten niet voor vergoeding in aanmerking komen, verwijzend naar een eerdere uitspraak. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht en de kosten van rechtsbijstand.
De Raad vernietigde het besluit van 13 oktober 2004 wegens onbevoegdheid van het UWV en bevestigde de eerdere uitspraak van 9 april 2004 voor zover het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2004 betreft. De totale vergoeding voor rechtsbijstand werd vastgesteld op €1.610,- en het griffierecht op €235,- werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding voor de rapporten van Instituut Psychosofia wordt afgewezen, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitspraak
04/2813 WAO + 05/2169 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2004, 02/3126,
en
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2005, 04/3260,
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van 9 april 2004 en 18 maart 2005.
Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 april 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
30 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat hij per einde wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
Bij besluit van 8 november 2002 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 22 april 2002 (en tegen een besluit van 18 juli 2002 dat thans niet in geding is) ongegrond verklaard.
Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv op 4 februari 2004 een nader besluit genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2002 alsnog gegrond is verklaard en waarbij aan appellant per 30 maart 2002 een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, is toegekend alsmede een vergoeding van € 644,- ter zake van in verband met de behandeling van het bezwaar verleende rechtsbijstand.
De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 9 april 2004 het beroep tegen het besluit van
8 november 2002 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft het Uwv voorts veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente, het griffierecht en de in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-. Het beroep tegen het besluit van
4 februari 2004 is ongegrond verklaard.
Appellant heeft bij inleidend beroepschrift van 19 mei 2004 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 9 april 2004.
Inmiddels had zijn gemachtigde die bij aanvullend bezwaarschrift van 1 juli 2002 reeds had verzocht om vergoeding van de kosten in bezwaar – zich bij schrijven van
29 maart 2004 tot het Uwv gewend met het verzoek om een schadebesluit te nemen met betrekking tot de proceskosten. Dit verzoek is bij besluit van 28 juni 2004 onder verwijzing naar artikel 7:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingewilligd voor wat betreft de kosten verbonden aan het inschakelen van de arbeidsdeskundige G.J. van Assen alsmede de kosten verbonden aan het inwinnen van medische inlichtingen bij de behandelende sector, maar afgewezen voor wat betreft de kosten van de rapporten van mevrouw Verhage van Instituut Psychosofia.
Het door appellant tegen het besluit van 28 juni 2004 gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het besluit van 13 oktober 2004 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij haar uitspraak van 18 maart 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij bij nader inzien over de kwestie van de in bezwaar gemaakte kosten eigenlijk bij haar uitspraak van 9 april 2004 had moeten beslissen, maar dat zij destijds door de gemachtigde van appellant op het verkeerde been is gezet door het gebruik van de term 'schadevergoeding', waar 'kosten bestuurlijke voorprocedure' was bedoeld. De rechtbank heeft in een overweging ten overvloede als haar oordeel te kennen gegeven dat de kosten van de rapporten van Instituut Psychosofia niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Appellant is het niet eens met deze uitspraak. Hij meent dat de kosten van de rapporten van Instituut Psychosofia wel vergoed behoren te worden.
Met betrekking tot het hoger beroep tegen de uitspraak van 18 maart 2005 overweegt de Raad het volgende.
Nu appellant in de bezwaarprocedure had verzocht om bij gegrondverklaring van zijn bezwaren in aanmerking te worden gebracht voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten en het Uwv bij de beslissing op bezwaar van 4 februari 2004 slechts op een onderdeel van dit verzoek (de kosten van rechtsbijstand) had beslist, heeft het Uwv in het verzoek van de gemachtigde van appellant om een nader schadebesluit ten aanzien van de kosten te nemen terecht aanleiding gezien om tot toepassing van artikel 7:15 vanPro de Awb over te gaan. Het ter zake genomen besluit van 28 juni 2004 dient rechtens te worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het besluit op bezwaar van
4 februari 2004. Het Uwv was bijgevolg niet bevoegd om te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2004. De rechtbank had het besluit van 13 oktober 2004 dan ook wegens onbevoegdheid moeten vernietigen. De Raad zal daartoe, onder vernietiging van de uitspraak van 18 maart 2005, alsnog overgaan. Appellant komt in aanmerking voor vergoeding van het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht en voor vergoeding van de in beroep en in hoger beroep gemaakte kosten ter zake van rechtsbijstand.
Met betrekking tot het hoger beroep tegen de uitspraak van 9 april 2004 overweegt de Raad dat het besluit van 28 juni 2004 met toepassing van artikel 6:19 junctoProartikel 6:24 vanPro de Awb in het geding in hoger beroep moet worden meegenomen. Ter toetsing staat aldus het besluit van 4 februari 2004 zoals dat is gewijzigd bij het besluit van
28 juni 2004.
Dit besluit bevat twee onderdelen: de beslissing op het bezwaar en de beslissing over de kosten.
Voor zover het de beslissing op het bezwaar betreft, heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard. De geschriften van mevrouw Verhage hebben de Raad ook bij herhaalde lezing geen aanknopingspunten geboden voor het oordeel dat de beperkingen en mogelijkheden van appellant onjuist zijn ingeschat.
De uitspraak van 9 april 2004 komt in zoverre derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Met betrekking tot de beslissing over de kosten is uitsluitend in geschil de weigering van het Uwv om de kosten gemaakt in verband met de rapporten van mevrouw Verhage te vergoeden. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
De gemachtigde van appellant heeft onder aanvoering van haar uit tal van andere beroepszaken bekende argumenten getracht de Raad ervan te overtuigen dat de rapporten van mevrouw Verhage met toepassing van artikel 7:15 vanPro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed behoort te worden. Deze argumenten treffen geen doel. De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN: AT4323) uitgebreid uiteengezet waarom de rapporten van mevrouw Verhage niet voor vergoeding in aanmerking komen. Duidelijker dan in die uitspraak kan de Raad het niet zeggen. Daarom volstaat de Raad thans met een verwijzing naar die uitspraak.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissing over de kosten vervat in het besluit van 4 februari 2004, zoals dit is komen te luiden na het wijzigingsbesluit van 28 juni 2004, evenzeer ongegrond moet worden verklaard.
Nu het besluit van 4 februari 2004 eerst in hoger beroep is aangevuld op het punt van de kostenvergoeding, acht de Raad termen aanwezig voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht en voor vergoeding van de in hoger beroep gemaakte kosten ter zake van rechtsbijstand. De vergoeding van het in eerste aanleg betaalde griffierecht en van de in eerste aanleg verleende rechtsbijstand is reeds in het niet bestreden deel van de uitspraak van 9 april 2004 neergelegd.
De totale vergoeding voor rechtsbijstand wordt door de Raad vastgesteld op € 1.610,- (1 x beroepschrift en 1 x zitting in eerste aanleg en 2 x beroepschrift en 1 x zitting in hoger beroep).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de uitspraak van 18 maart 2005;
Vernietigt het besluit van 13 oktober 2004;
Bevestigt de uitspraak van 9 april 2004 voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 februari 2004, voor zover dit beroep geacht moet worden gericht te zijn tegen de in dat besluit vervatte beslissing op bezwaar, ongegrond heeft verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 februari 2004, zoals dit is komen te luiden na het wijzigingsbesluit van 28 juni 2004, ongegrond voor zover dit beroep geacht moet worden gericht te zijn tegen de in dat besluit vervatte beslissing inzake de in bezwaar gemaakte kosten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 235,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en
I.M.J. Hilhorst Hagen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.