ECLI:NL:CRVB:2007:BA1367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Toetsing buitenwettelijk begunstigend beleid bij aanvraag korting en vrijstelling basispremie WAO
Betrokkene diende op 25 januari 2005 een aanvraag in voor korting en vrijstelling op de basispremie WAO over 1998. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De rechtbank oordeelde dat de aanvraag binnen de termijn was ingediend vanwege een navordering in 2002, maar appellant betwistte dit in hoger beroep.
De Raad overwoog dat een verzoek tot korting en vrijstelling op de basispremie WAO moet worden aangemerkt als een verzoek tot premievaststelling volgens artikel 11, eerste lid, van de CSV, waarbij artikel 13, eerste lid, van de CSV bepalend is. Dit artikel stelt een termijn van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarover de premie verschuldigd is. De aanvraag van betrokkene in 2004 was te laat, omdat de premieschuld over 1998 vanaf 1 januari 2004 niet meer kan worden vastgesteld.
Verder stelde de Raad vast dat het door appellant gevoerde beleid een buitenwettelijk begunstigend beleid is, dat terughoudend wordt getoetst. Dit beleid werd op consistente en niet onredelijke wijze toegepast. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens werd appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.