ECLI:NL:CRVB:2007:BA0507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid volgens WAO
Appellant, voormalig parttime chauffeur bulkwagen, viel uit wegens hartklachten en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Hij maakte bezwaar tegen deze vaststelling en het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de toepassing van artikel 44 WAO Pro betrof, maar oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was.
In hoger beroep beperkte de Centrale Raad van Beroep zich tot de vraag of de rechtbank het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid terecht ongegrond verklaarde. De Raad concludeerde dat de medische beperkingen van appellant niet waren onderschat en dat het belastbaarheidspatroon van de verzekeringsarts een juiste weergave was van zijn toestand op de relevante datum.
De Raad achtte de door appellant aangevoerde niet-medisch onderbouwde bezwaren onvoldoende om het oordeel te wijzigen. Ook vond de Raad dat appellant, ondanks zijn beperkingen, geschikt was voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, waarmee een verlies aan verdiencapaciteit van 42,2% werd vastgesteld.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De mate van arbeidsongeschiktheid werd terecht vastgesteld tussen 35 en 45 procent.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 35 tot 45 procent.