ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8552

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5934 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen van intrekking WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg die het besluit van het UWV bevestigde om niet terug te komen op de intrekking van zijn WAZ-uitkering per 10 juni 1999. Het verzoek om terug te komen werd afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een heroverweging konden rechtvaardigen.

In hoger beroep heeft appellant een medische verklaring van een psychiater overgelegd, maar de Raad overweegt dat het UWV deze verklaring niet kon meenemen bij het bestreden besluit van 4 februari 2004. Volgens vaste jurisprudentie, waaronder een uitspraak van 12 december 2003, kan een bestuursorgaan een verzoek om terug te komen zonder nader onderzoek afwijzen als er geen nieuwe feiten of omstandigheden worden genoemd.

De Raad benadrukt dat het besluit zorgvuldig moet worden voorbereid, maar dat de zorgvuldigheid beperkt is tot de vraag of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het hoger beroep slaagt niet, en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering om terug te komen op de intrekking van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

04/5934 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 september 2004, 04/140 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 7 december 2006, waar partijen, het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de door het Uwv, op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 4 februari 2004, gehandhaafde afwijzing van het namens appellant gedane verzoek om terug te komen van een jegens hem genomen rechtens onaantastbaar besluit van 20 juni 2002, waarbij hem uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 10 juni 1999 is geweigerd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten, aangezien appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd, zodat het Uwv bevoegd was het verzoek om terug te komen af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beslissing van 20 juni 2002.
In hoger beroep heeft appellant onder overlegging van een op 28 oktober 2004 gedateerde medische verklaring van psychiater R. van Parys, de aangevallen uitspraak bestreden.
De Raad overweegt met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak betreffende verzoeken om terug te komen van een besluit (zie hiervoor onder meer de uitspraak van 12 december 2003, gepubliceerd in USZ 2004/54, LJN AO0725) dat overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd, kan in het licht hiervan geen doel treffen. De Raad merkt daarbij op dat hij aan de in hoger beroep overgelegde verklaring van behandelend psychiater Parys thans geen betekenis kan toekennen aangezien het Uwv met deze verklaring geen rekening heeft kunnen houden bij het nemen van het bestreden besluit van 4 februari 2004.
Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering te verwijzen naar het besluit van 20 juni 2002. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Ter voorlichting van appellant overweegt de Raad dat met het hiervoor overwogene niet is gezegd dat een, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, genomen besluit om niet terug te komen van een eerder genomen besluit niet zorgvuldig moet worden voorbereid en genomen. Die zorgvuldigheid is in geval als dit evenwel beperkt tot het antwoord op de vraag of bij het verzoek feiten of omstandigheden zijn vermeld die zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.