ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8134

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6242 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 lid 3 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over arbeidsongeschiktheid met instandhouding rechtsgevolgen

Appellant, voormalig autogeenlasser, ontving een WAO-uitkering wegens rugklachten en psychische klachten. Na een herbeoordeling was zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25-35%. Appellant betwistte deze mate van beperkingen en voerde aan dat hij meer beperkingen had dan het UWV aannam.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde met dezelfde grieven en verzocht om een deskundige aan te wijzen. De Raad nam kennis van rapporten van bezwaarverzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die de beperkingen en belastbaarheid van appellant onderzochten en concludeerden dat het vastgestelde belastbaarheidspatroon en de geselecteerde functies passend waren.

De Raad oordeelde dat er geen redenen waren om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsartsen onjuist te achten en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Het verzoek van appellant om een deskundige werd afgewezen. Hoewel het bestreden besluit uiteindelijk van een toereikende motivering was voorzien, werd het besluit vernietigd wegens eerdere gebreken, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit over de arbeidsongeschiktheid van appellant wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

04/6242 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 oktober 2004, 04/542 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Moor.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Appellant, geboren [in] 1949, is autogeenlasser geweest bij [werkgever]. In 1984 is hij wegens rugklachten uitgevallen en na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Laatstelijk ontving appellant een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Op 24 juli 2001 heeft appellant, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving, zich ziek heeft gemeld als gevolg van longklachten en psychische klachten. In verband hiermee is appellant op 21 juli 2003 onderzocht door de verzekeringsarts B.G.M. Simons. Nadat hij informatie had ingewonnen bij de behandelende sector is deze verzekeringsarts in zijn rapport van 5 augustus 2003 tot de conclusie gekomen dat de voor appellant op 10 mei 2002 vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) nog steeds van toepassing was. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige
G.J.M. Heemels op 10 oktober 2003 rapport uitgebracht, waarin hij tot de conclusie is gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen laatstelijk verrichte werk. Voorts heeft hij vastgesteld dat appellant nog steeds geschikt moet worden geacht voor de door de arbeidsdeskundige W.H.M. Zuurveld in zijn rapport van 17 mei 2002 geselecteerde functies. Op basis van deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 25-35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 17 oktober 2003 meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid weliswaar met ingang van 24 juli 2001 was toegenomen maar dat daarvan op 23 juli 2002 geen sprake meer was. Bij dit besluit is dan ook de WAO-uitkering met ingang van 23 juli 2002 ongewijzigd voortgezet.
In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij als gevolg van met name zijn psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen.
In een op 29 maart 2004 uitgebracht rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M.H.J. Tjen het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven, waarna het Uwv bij besluit van 5 april 2004 het bezwaar van appellant ongegrond heeft verklaard.
Onder herhaling van zijn in bezwaar geuite grieven is appellant in beroep gekomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, heeft hij nog een verklaring d.d. 20 augustus 2003 van de psycholoog H. Lempens, verbonden aan het RIAGG, overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure. Daarbij heeft hij de Raad verzocht om een deskundige aan te wijzen.
Bij schrijven van 3 maart 2005 heeft het Uwv de Raad nog een rapport d.d. 18 februari 2005 van de voornoemde bezwaararbeidsdeskundige Heemels doen toekomen, waarin een nadere toelichting is gegeven op de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gezien het verzoek van appellant om een deskundige in te schakelen te honoreren.
Op grond van hun onderzoek hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat het op 10 mei 2002 vastgestelde belastbaarheidspatroon nog steeds van toepassing is. Daarin zijn in verband met de klachten van appellant beperkingen opgenomen. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat de beperkingen zijn onderschat. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.
Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting stelt de Raad vast dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom de geselecteerde functies passend zijn geacht voor appellant, in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige Heemels. Naar het oordeel van de Raad zijn door hem met zijn rapport van
18 februari 2005 de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies uiteindelijk voldoende gemotiveerd en is hiermee op adequate wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. Vastgesteld kan worden dat appellant geschikt moet worden geacht voor de voor hem geselecteerde functies, waarmee de schatting op goede gronden berust.
De Raad stelt vast dat pas in hoger beroep uiteindelijk het bestreden besluit van een toereikende en juiste motivering is voorzien. In verband hiermee dient het bestreden besluit te worden vernietigd maar kunnen tevens, gegeven het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- in eerste aanleg en op € 322,- in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,- te betalen door het Uitvoeringsintituut Werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.