ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering medische beoordeling
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken per 25 januari 2004, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. De rechtbank had het besluit van het UWV bevestigd, waarbij onder meer werd aangenomen dat de wijzigingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen rol speelden en dat appellante geacht werd te voldoen aan opleidingsniveau 1.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de motivering van het UWV omtrent de discrepanties tussen de twee FML’s onvoldoende was, met name omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een daadwerkelijke verbetering van de medische toestand van appellante. Ook de arbeidskundige onderbouwing was onvoldoende, omdat niet duidelijk was of alle relevante functies aan appellante waren voorgehouden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.