ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand aan vreemdeling met beroep tegen intrekking verblijfsvergunning
Appellant, een Marokkaanse vreemdeling, vroeg bijstand aan op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland zou hebben, nadat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken en bezwaar daartegen niet tijdig was gemaakt. Appellant stelde beroep in tegen deze beslissing en vroeg om bijstand met terugwerkende kracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College ten onrechte artikel 4:6 Awb Pro toepaste, omdat appellant niet vroeg om herziening van het eerdere besluit, maar om bijstand op grond van bijzondere omstandigheden. De Raad stelde dat appellant op grond van het beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning gelijkgesteld moest worden met een Nederlander en dus in aanmerking kon komen voor bijstand vanaf de datum van bezwaar of aanvraag.
De Raad vernietigde het besluit van het College en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met het beroep tegen de intrekking en de feitelijke situatie van appellant. Tevens veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het College dat bijstand weigerde wegens onrechtmatig verblijf wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning.