ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verdere WW-uitkering wegens verblijf in buitenland
Appellant was sinds 14 augustus 2000 in dienst bij Seharo Personeel B.V., dat op 20 november 2002 failliet werd verklaard. Na ontslag op 26 november 2002 verzocht appellant het UWV om achterstallige loonbetalingen over te nemen op grond van Hoofdstuk IV van de WW, waarbij hij aangaf vanaf 30 augustus 2002 niet meer in Nederland te zijn en niet te hebben gesolliciteerd vanwege verblijf in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij wel in Nederland verbleef. In hoger beroep werd dit standpunt bevestigd: appellant kon niet overtuigend aantonen dat hij beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt.
De Raad oordeelde dat het verblijf in het buitenland betekende dat appellant zijn diensten niet aan de werkgever had aangeboden en dus geen aanspraak kon maken op loonbetaling na 30 augustus 2002. Hierdoor had hij ook geen recht op verdere WW-uitkering over die periode. De eerdere uitspraak werd met verbeterde gronden bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de weigering van verdere WW-uitkering wordt bevestigd.