ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verdergaande terugwerkende kracht bij toekenning WAJONG-uitkering
Appellant, geboren in 1969, werd voor zijn 18e arbeidsongeschikt verklaard vanwege een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij verbleef met onderbrekingen van 1982 tot 1986 in een behandelingscentrum. Appellant stelde dat zijn stoornis hem verhinderde om tijdig een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen, waardoor de instelling geen aanvraag kon bevorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een verdergaande terugwerkende kracht dan een jaar rechtvaardigen. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt dat het niet is gebleken dat de begeleidende instellingen of voogd vóór de 18e verjaardag geen aanvraag konden indienen. Ook heeft appellant niet gesteld dat hij zelf eerder dan 10 maart 2003 een aanvraag kon doen.
De verzekeringsarts vermeldde dat de late aanvraag te wijten was aan onbekendheid met de regeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Geen toekenning van de WAJONG-uitkering met verdergaande terugwerkende kracht dan een jaar.