ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid
Appellant ontving vanaf 3 maart 2003 een WW-uitkering. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant vanaf 3 juni 2003 niet meer beschikbaar was voor werk en beëindigde de uitkering. Vervolgens werd het onverschuldigd betaalde bedrag van ruim €20.800 teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij wel beschikbaar was, maar dat administratieve handelingen door een derde werden verricht vanwege privéproblemen.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet feitelijk beschikbaar was en de schijn ophield aan zijn verplichtingen te voldoen. Het UWV was daarom gerechtigd de uitkering terug te vorderen. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep, wijst op de constructie van appellant om schijn van beschikbaarheid te wekken en concludeert dat geen ondubbelzinnige aanwijzingen bestaan dat appellant daadwerkelijk beschikbaar was.
Appellant heeft geen zelfstandige grieven tegen de terugvordering ingebracht. De Raad ziet geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2005.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering bevestigd.