ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant was gehuwd met [O.] en na hun echtscheiding ontving laatstgenoemde bijstand als alleenstaande ouder. Het College trok de bijstandsuitkering van [O.] in omdat zij met appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren en het gezamenlijke inkomen de norm voor een gezin overschreed. Tevens vorderde het College de teveel betaalde bijstand terug van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de terugvordering gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College de terugvordering op de Wet werk en bijstand moest baseren en dat de gezamenlijke huishouding voor de periode vanaf 1 maart 2000 aannemelijk was gemaakt, mede gelet op verklaringen en observaties.
Voor de periode van 1 januari 1999 tot 1 maart 2000 vond de Raad echter onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen. De Raad wees ook af dat appellant proceskosten vergoed krijgt.
De uitspraak benadrukt het belang van objectieve criteria bij de beoordeling van gezamenlijke huishouding en stelt dat motieven en omstandigheden die daartoe leiden niet doorslaggevend zijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot terugvordering over de periode vóór 1 maart 2000 en bevestigt terugvordering over maart 2000 tot april 2000.