ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het College vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met Van den B. en liet dit onderzoeken door de sociale recherche. Het onderzoek concludeerde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarop het College de bijstand introk met terugwerkende kracht vanaf 19 januari 2005. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen door de Voorzieningenrechter, die oordeelde dat de verklaringen aan de sociale recherche betrouwbaar waren en dat er geen sprake was van een commerciële kostgangersrelatie.
In hoger beroep betwistte appellante het oordeel en stelde dat er slechts een kostgangersrelatie was, die zij correct had gemeld, en dat de zorg aan Van den B. verband hield met diens invaliditeit. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat het geschil draait om de vraag of er een gezamenlijke huishouding was en sluit zich aan bij het oordeel van de Voorzieningenrechter. De Raad oordeelt dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde en dat de bijstand terecht is ingetrokken.
Het hoger beroep wordt verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad over het begrip gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstandsuitkering bevestigd.