ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ANW-uitkering en herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 juli 1996 een Anw-uitkering en vanaf februari 2004 een AOW-pensioen. De Sociale verzekeringsbank beëindigde bij besluit van 22 oktober 2004 de Anw-uitkering met ingang van januari 2002 en herzag de AOW-uitkering vanaf februari 2004 naar gehuwdennorm, omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met een partner in Nederland.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Maastricht, die zich onbevoegd verklaarde en de zaak doorzond naar de rechtbank Amsterdam. In hoger beroep richtte appellante zich tegen het ontbreken van een proceskostenveroordeling door de rechtbank Maastricht.
De Raad oordeelt dat de rechtbank Maastricht terecht geen proceskostenveroordeling uitsprak, omdat onbevoegdverklaring niet gelijkstaat aan gegrondverklaring van het beroep. Ook was appellante niet op het verkeerde been gezet door de rechtsmiddelenclausule en had zij direct bij de rechtbank Amsterdam kunnen procederen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.