ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen na het verstrijken van de wettelijke wachttijd, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het UWV baseerde dit op de bevinding dat appellante in staat was haar administratieve werkzaamheden te verrichten, zij het niet bij haar eigen werkgever.
De rechtbank Arnhem had het beroep ongegrond verklaard. Appellante richtte zich in hoger beroep niet tegen de weigering van de uitkering zelf, maar tegen de onderliggende opvatting dat zij ongeschikt zou zijn voor haar eigen werk bij haar werkgever, wat volgens haar het afdwingen van werkhervatting of salarisbetaling onmogelijk maakt. Tevens klaagde zij over het ontbreken van overleg tussen haar en de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
De Raad overwoog dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid primair aan het UWV is voorbehouden en dat het ontbreken van overleg met appellante daaraan niet afdoet. Het rapport van de arbeidsdeskundige vermeldde juist dat met appellante was besproken dat zij haar eigen werk kon doen, zij het niet bij haar werkgever, en dat alternatieve functies waren besproken. Nieuwe medische gegevens die twijfel zouden kunnen zaaien over de geschiktheid ontbraken.
Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk, zij het niet bij haar werkgever.