ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten volgens WW
Appellant was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 8 april 2005 eindigde. Hij diende een WW-uitkering in vanaf die datum. Het UWV stelde vast dat appellant voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband geen sollicitatieactiviteiten had ondernomen en legde een korting van 20% op zijn uitkering op als maatregel.
Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel en voerde aan dat hij dacht zijn baan te behouden, door zijn lichamelijke gesteldheid niet kon solliciteren, en dat hij al zijn energie had gestoken in het behouden van zijn baan. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant er rekening mee had moeten houden dat zijn dienstverband zou eindigen en dat het enkele verzenden van een brief aan de werkgever geen concrete sollicitatieactiviteit is. De maatregel is daarom terecht opgelegd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.