ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5255

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6646 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak rechtbank inzake ambtenarenrecht niet-ontvankelijk verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen in een bestuursrechtelijke zaak betreffende ambtenarenrecht. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellant tegen deze uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, omdat de wet geen hoger beroep tegen uitspraken op verzet toestaat.

Appellant stelde dat hem een eerlijk proces was onthouden, omdat de rechtbank een oordeel had gegeven over haar eigen handelen omtrent het opvragen en inzenden van een machtiging, wat volgens appellant de onafhankelijkheid en onpartijdigheid aantastte. De Raad heeft dit betoog onderzocht en geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid ontbraken.

De Raad benadrukte dat communicatie door de griffie tijdens de procedure gebruikelijk is en dat het oordeel over de juistheid van deze handelingen in eerste instantie aan het betreffende college toekomt, dat ook gebonden is aan waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Talman en leden Zeilemaker en Kraan, in aanwezigheid van griffier Heemsbergen, op 14 december 2006.

Uitkomst: Het verzet van appellant wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

05/6646 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 oktober 2005, 04/1817 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Noord-Oost Gelderland (hierna korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 14 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 16 maart 2006 heeft de Raad het door appellant tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 16 maart 2006 heeft appellant bij schrijven van
28 april 2006 verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006, waar namens appellant mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond, is verschenen. De korpsbeheerder heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De uitspraak van de Raad van 16 maart 2006 berust hierop, dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet geen hoger beroep open staat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Voor een uitzondering op dit beginsel zag de Raad geen aanleiding, omdat niet kon worden gezegd dat appellant een eerlijk proces is onthouden.
2. De gemachtigde van appellant heeft in zijn verzetschrift en ter zitting betoogd dat dit wel het geval is geweest, omdat de rechtbank in zijn uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb een oordeel heeft gegeven over haar eigen handelwijze met betrekking tot het opvragen en inzenden van de machtiging. Dat oordeel is volgens deze gemachtigde per definitie niet onafhankelijk en niet onpartijdig.
3. De Raad is van oordeel dat de gemachtigde van appellant in verzet geen gronden naar voren heeft gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet kunnen leiden.
3.1. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat het aan de procesvoering bij een rechterlijk college eigen is dat gedurende de procedure door de griffie met partijen wordt gecommuniceerd. Het oordeel over de juistheid van de in dat kader door de griffie verrichte handelingen en gedane mededelingen berust in eerste instantie bij het betreffende college zelf. De waarborgen voor rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn derhalve ook op die oordeelsvorming van toepassing. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in het onderhavige geval aan de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid ontbroken heeft. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellant een eerlijk proces is onthouden.
Derhalve dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en
K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
14.12