ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5137

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3219 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van ontslag wegens plichtsverzuim ambtenaar

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland verzochten herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin was geoordeeld dat zij niet bevoegd waren om betrokkene disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim. De Raad had vastgesteld dat betrokkene niet tijdig op de hoogte was van uitnodigingen voor het spreekuur van de bedrijfsarts omdat deze brieven naar haar raadsman waren doorgestuurd.

Verzoekers stelden dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren die tot een andere beoordeling zouden moeten leiden, met name over de herkenbaarheid van de uitnodigingen en de wijze van adressering. De Raad oordeelde echter dat deze feiten reeds bekend waren en dat het verzoek om herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak.

Daarom werd het verzoek afgewezen. Tevens veroordeelde de Raad verzoekers tot betaling van de proceskosten van betrokkene ter hoogte van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 december 2006.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen en verzoekers worden veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.

Uitspraak

06/3219 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna: verzoekers),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 maart 2006, 04/2081, op het hoger beroep van [betrokkene] (hierna: betrokkene) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 maart 2004, 02/4538
in het geding tussen:
betrokkene
en
verzoekers
Datum uitspraak: 21 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoekers hebben verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 maart 2006.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van 9 november 2006. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, werkzaam bij de provincie Zuid-Holland en betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.M. de Vries, advocaat te Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd heeft de Raad geoordeeld over het besluit van verzoekers om betrokkene wegens plichtsverzuim strafontslag te verlenen. De Raad heeft overwogen dat verzoekers niet bevoegd waren betrokkene disciplinair te straffen nu het haar niet viel te verwijten dat zij de brieven met de uitnodigingen voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 22 april 2002 respectievelijk 26 april 2002 naar haar raadsman ter verdere behandeling had doorgezonden en zodoende niet tijdig van de bedoelde uitnodigingen op de hoogte was gekomen.
3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoekers aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 Awb Pro. De Raad overweegt als volgt.
4. Verzoekers hebben in hun verzoek gesteld dat eerst op de zitting van de Raad van
19 januari 2006 de feitelijke herkenbaarheid van de uitnodigingen van de bedrijfsarts aan de orde is gesteld in relatie tot de afspraak om alle brieven aan de gemachtigde te sturen en dat dit eerder niet als relevant feit is gezien. Uit de uitspraak blijkt dat de Raad de niet herkenbaarheid heeft aangenomen op grond van het feit dat die uitnodigingen in enveloppen van de provincie waren verstuurd. Dit oordeel achten verzoekers onjuist omdat, zo is in het verzoek betoogd, inmiddels is gebleken dat de bedrijfsarts een adressering gebruikte die afweek van de overige aan betrokkene gerichte brieven in enveloppen van de provincie.
Daarnaast zijn verzoekers van mening dat de Raad ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene de omstreden brieven niet had geopend; dit zou blijken uit de overige gedingstukken.
Verzoekers blijven dan ook van opvatting dat betrokkene zich wel schuldig heeft gemaakt aan het verweten plichtsverzuim en dat dit haar kan worden toegerekend.
5. De Raad stelt vast dat hetgeen verzoekers hebben aangevoerd - wat er ook van zij - geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid betreft als hiervoor bedoeld. De stukken waarop verzoekers doelen waren reeds bekend in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan thans herziening wordt verzocht en hetgeen verzoekers thans ter ondersteuning van hun verzoek aanvoeren, hadden zij ook in die procedure kunnen aanvoeren. De Raad wijst verzoekers er voorts op dat volgens vaste rechtspraak het bijzondere middel van herziening niet is gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
6. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 Awb Pro gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.
7. De Raad ziet voorts aanleiding verzoekers op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af;
Veroordeelt verzoekers in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,- te betalen door de provincie Zuid-Holland.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) O.C. Boute.
HD
23.11