ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering ziekengeld wegens ongeschiktheid en anticumulatie
Appellant was sinds 1995 werkzaam als uitbener en viel na een auto-ongeval in december 1996 uit. Na tijdelijke werkhervattingen meldde hij zich in april 1997 ziek en ontving ziekengeld tot maart 1998. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat appellant niet aannemelijk had gemaakt aangepast werk te verrichten en dat hij geschikt was voor zijn arbeid.
De Raad stelde vast dat geen werkomschrijving bestond en dat de loongegevens en verklaringen van appellant wezen op minder dan volledige arbeid in de periode april-december 1997. Hierdoor kon de intrekking en terugvordering van ziekengeld over deze periode niet worden gehandhaafd. Wel oordeelde de Raad dat het UWV terecht anticumulatie toepaste en een bedrag van €7.758,97 terugvorderde wegens overlappende inkomsten.
De rechtbank Arnhem had het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit eerder vernietigd wegens ontbreken van een intrekkingsbesluit. Het UWV nam daarop een nieuw besluit met primaire intrekking en subsidiaire terugvordering. De Raad vernietigde het primaire deel van het besluit en verklaarde het beroep gegrond, maar verwierp het subsidiaire standpunt. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van ziekengeld over april-december 1997 wordt vernietigd, maar de terugvordering wegens anticumulatie wordt bevestigd.