ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na WW-ziekmelding wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellant, voormalig produktiemedewerker, werd arbeidsongeschikt na een bedrijfsongeval en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na intrekking van deze uitkering wegens geschiktheid voor bepaalde functies, meldde appellant zich ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie. Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen op grond van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken die appellant geschikt achtten voor de functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond geen aanleiding om de bevindingen van de verzekeringsartsen te betwijfelen en oordeelde dat het UWV geen nadere inlichtingen hoefde in te winnen bij de behandelend KNO-arts. De door appellant overgelegde brieven van de KNO-arts bevatten geen aanwijzingen voor afwijkingen die de klachten verklaren.
Het geschil betrof de vraag of appellant recht had op ziekengeld na ziekmelding vanuit WW, waarbij de Raad concludeerde dat appellant geschikt bleef voor de functies die in het kader van de WAO-schatting waren geselecteerd. Het bestreden besluit werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellant wegens geschiktheid voor WAO-functies.