ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar lagere mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1990 arbeidsongeschikt is en een WAO-uitkering ontvangt, werd in 2001 herbeoordeeld. Een verzekeringsarts stelde een belastbaarheidspatroon vast en een arbeidsdeskundige selecteerde functies die appellant zou kunnen verrichten. Op basis hiervan berekende het UWV een loonverlies van 18,4%, wat leidde tot een herziening van de WAO-uitkering van 25-35% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid per 3 januari 2002.
Appellant voerde aan dat zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef en betwistte de herziening, mede omdat hij meende dat een rapport van de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte werd gebruikt tijdens de rechtbankzitting. De Raad oordeelde dat dit rapport als onderdeel van het pleidooi mocht worden ingebracht en dat appellant de kans had om hierop te reageren maar niet was verschenen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek toereikend was en dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die een andere beoordeling zou rechtvaardigen. Ook werd geoordeeld dat appellant geen gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen aan het besluit van voortzetting van de uitkering dat deze niet zou worden herzien. De herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid is daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid per 3 januari 2002 wordt bevestigd.