ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid bij ziekengeld op grond van de Ziektewet
Appellante, werkzaam als schoonmaakster en magazijnmedewerkster, viel in 2000 uit wegens klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. In het kader van de WAO-beoordeling werd zij geschikt geacht voor drie functies: confectienaaister, naaister-stikster meubelkleding en inrichtingsassistente. In 2003 meldde zij zich ziek voor een WW-uitkering, waarna een verzekeringsarts vaststelde dat er geen toename van beperkingen was en zij niet ongeschikt was voor arbeid.
Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellante dat zij pas geschikt is voor haar arbeid als zij geschikt is voor ten minste drie functies met de hoogste loonwaarde, wat volgens haar niet het geval was. Zij overlegde medische verklaringen ter onderbouwing.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' in de Ziektewet de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na de wachttijd blijvend ongeschikt is voor het oude werk en geen ander werk heeft hervat, dan geldt de WAO-beoordeling. De Raad bevestigde vaste jurisprudentie dat ongeschiktheid ontbreekt indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de WAO-functies. De medische gegevens gaven geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De aanvullende medische verklaringen zagen op een latere situatie en werden niet doorslaggevend geacht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 6 december 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat zij geschikt is voor ten minste één van de WAO-functies.