ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een verzoek ingediend om terug te komen op een eerder genomen besluit van 10 augustus 2000, waarin hem geen WAO-uitkering werd toegekend omdat hij bij aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest.
Het Uwv wees dit verzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening konden rechtvaardigen. Appellant stelde dat brieven van psycholoog Schouten nieuwe feiten bevatten die de eerdere conclusie konden weerleggen, maar de Raad oordeelde dat deze informatie reeds bekend was ten tijde van het oorspronkelijke besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Zwolle en oordeelde dat het Uwv bevoegd was het verzoek af te wijzen zonder nader onderzoek, conform artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er was geen sprake van strijd met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen.
De Raad achtte geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en wees het beroep af. De uitspraak werd gedaan door M.C. Bruning op 6 december 2006.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het besluit om geen WAO-uitkering toe te kennen is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.