ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek aanvullende beurs met terugwerkende kracht op grond van hardheidsclausule
Appellante had een aanvraag voor een aanvullende beurs ingediend over de periode september 2001 tot en met maart 2003, nadat haar eerdere aanvraag in juli 2001 en september 2001 geen aanvullende beurs betrof. De IB-Groep wees dit verzoek af omdat artikel 3.21 van de Wsf 2000 toekenning met terugwerkende kracht uitsluit.
Appellante stelde dat zij door een medewerkster van de IB-Groep was geadviseerd geen aanvullende beurs aan te vragen vanwege ontbrekende inkomensgegevens van haar vader, en dat zij daarom onredelijk was geweigerd alsnog een aanvullende beurs toe te kennen. De Raad oordeelde dat dit onvoldoende concreet was onderbouwd en dat het niet aannemelijk was dat de IB-Groep onredelijk had gehandeld.
De Raad overwoog dat de hardheidsclausule in artikel 11.5 van de Wsf 2000 slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt en dat appellante niet had aangetoond dat sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om toekenning van een aanvullende beurs met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.