ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsverledeneis en dienstbetrekking bij managementvergoeding
De zaak betreft een geschil over de vraag of betrokkene in de jaren 1999 en 2000 werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst en daarmee voldoet aan de arbeidsverledeneis voor een loongerelateerde WW-uitkering. Betrokkene had een managementovereenkomst gesloten met twee ondernemingen, waarin een maandelijkse managementvergoeding was afgesproken. De rechtbank had geoordeeld dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst vanwege persoonlijke dienstverrichting, loonbetaling en gezagsverhouding.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voerde in hoger beroep aan dat er geen arbeidsovereenkomst was, maar een andere overeenkomst met een managementvergoeding. De Centrale Raad van Beroep heeft na onderzoek en het horen van partijen geoordeeld dat ondanks de beoogde andere overeenkomst er feitelijk sprake was van een dienstbetrekking. Betrokkene ontving loon, was persoonlijk verplicht tot werkzaamheden en werkte onder gezag van de directeur van de ondernemingen.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en stelde dat betrokkene voldoet aan de arbeidsverledeneis van artikel 17 WW Pro. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten en werd griffierecht geheven. De uitspraak benadrukt het belang van de feitelijke omstandigheden boven de benaming van de overeenkomst bij de beoordeling van een dienstbetrekking.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene voldoet aan de arbeidsverledeneis en dat sprake is van een dienstbetrekking, waardoor hij recht heeft op de loongerelateerde WW-uitkering.