ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering wegens vermeend verwijtbaar werkloos zijn
Appellant werkte sinds 1995 bij KLM als bagagemedewerker en viel uit voor zijn functie. Na een reïntegratietraject bij de afdeling Flex-Dienstverlening werd zijn tewerkstelling beëindigd wegens niet voldoen aan kwaliteitsnormen. Appellant hervatte zijn eigen functie, maar viel daarna nog enkele keren ziek uit. KLM beëindigde het dienstverband wegens vertrouwensbreuk, mede vanwege het niet nakomen van afspraken over het informeren over ziekte.
Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden, verwijzend naar de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond dat appellant verwijtbaar had gehandeld door niet te informeren over zijn ziekte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV onvoldoende eigen onderzoek heeft gedaan en te veel gewicht heeft toegekend aan het weigeren van een bloedtest. De Raad stelt dat het niet nakomen van de afspraak om KLM te informeren over de aard van de ziekte niet zodanig verwijtbaar is dat beëindiging van het dienstverband redelijkerwijs voorzienbaar was. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuw besluit door het UWV.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.