ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en niet-woonplaats in gemeente
Appellant ontving sinds 1991 bijstand, die werd ingetrokken vanaf 1 januari 2002 vanwege het verkrijgen van een andere uitkering. Het College trok bij besluit van 21 april 2004 de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 13 februari 1996, omdat appellant geen hoofdverblijf meer had in de gemeente Haarlemmermeer. Tevens werd een bedrag van €51.449,65 teruggevorderd over de periode 1 juli 1996 tot 31 december 2001.
De rechtbank vernietigde het besluit van 20 september 2004 wegens een onjuiste bevoegdheidsgrondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Raad toetste het hoger beroep en oordeelde dat appellant feitelijk niet woonachtig was in de gemeente, ondanks inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. Bewijs zoals beëindiging gas- en waterlevering en verklaringen van buren ondersteunden dit oordeel.
De Raad verwierp de stelling dat artikel 40 WWB Pro in strijd is met de Grondwet of Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, vanwege het toetsingsverbod in artikel 120 Grondwet Pro. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en kosten terug te vorderen. De Raad vond geen reden om het College te beletten van deze bevoegdheid gebruik te maken en bevestigde het bestreden oordeel zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens het ontbreken van hoofdverblijf en schending van de inlichtingenplicht.