ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging toeslag wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 april 2001 een toeslag op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering als ongehuwd samenwonende. In augustus 2004 informeerde zij bij het UWV of zij nog recht had op de toeslag, omdat haar partner niet meer bij haar woonde vanwege opname wegens een psychische ziekte. Het UWV beëindigde de toeslag per 1 september 2004 en weigerde deze bij besluit van 24 september 2004.
Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard omdat volgens het UWV geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding en het inkomen van appellante boven het sociale minimum lag. De rechtbank bevestigde dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit van 24 september 2004 moet worden gezien als een intrekking van de toeslag per 1 september 2004.
De Raad stelt vast dat de partner van appellante sinds die datum niet meer feitelijk in de woning verbleef, mede gelet op de door appellante verstrekte informatie over de langdurige opname in een psychiatrische kliniek. Hierdoor was de gezamenlijke huishouding beëindigd. De Raad ziet geen reden om het hoger beroep van appellante te honoreren en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat per 1 september 2004 geen gezamenlijke huishouding meer bestond en de toeslag terecht is beëindigd.