ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2881

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4404 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.5 Wsf 2000Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verlegging peiljaar bij berekening ouderlijke bijdrage studiefinanciering

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met redelijkheid en billijkheid en dat de IB-Groep onjuist het peiljaar niet had verlegd bij de berekening van de ouderlijke bijdrage op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

De Raad overwoog dat de rechtbank terecht oordeelde dat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor verlegging van het peiljaar, namelijk een daling van het gecorrigeerde verzamelinkomen van ten minste 15%. De IB-Groep was derhalve verplicht het peiljaar te hanteren zoals wettelijk voorgeschreven.

De Raad benadrukte dat de IB-Groep niet bevoegd is om op grond van redelijkheid en billijkheid van dit dwingende wettelijke voorschrift af te wijken. Redelijkheid en billijkheid kunnen geen zelfstandige rol spelen bij de toetsing van het besluit. Ook het argument dat appellant buiten eigen schuld in een ongunstige situatie is geraakt, leidt niet tot een andere uitkomst.

De Raad concludeerde dat geen sprake is van onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van artikel 11.5 Wsf 2000 zou rechtvaardigen. De wetgever heeft met de regeling van het peiljaar en de mogelijkheid tot verlegging reeds voorzien in fluctuaties in inkomsten en uitzonderingen daarop. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de IB-Groep om het peiljaar te verleggen bij de berekening van de ouderlijke bijdrage.

Uitspraak

05/4404 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2005, nummer 04/608 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 10 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellant is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat geen aanleiding bestaat voor vernietiging van het besluit waarbij de IB-Groep - beslissend op bezwaar - heeft geweigerd de veronderstelde ouderlijke bijdrage niet te berekenen op basis van de inkomsten door appellant genoten in het peiljaar, maar op basis van de inkomsten genoten in het eerste of tweede jaar na het peiljaar.
Appellant heeft in hoger beroep kort samengevat aangevoerd, dat door de rechtbank geen recht is gedaan op grond van redelijkheid en billijkheid, er geen rekening mee is gehouden dat geen sprake is van eigen schuld en dat de IB-Groep ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van het bepaalde in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
Appellant acht een verlegging van het peiljaar ook in het geval hij niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet aangewezen.
De door appellant aangevoerde gronden kunnen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu niet is voldaan aan de voorwaarde om tot verlegging van het peiljaar te komen
- het gecorrigeerde verzamelinkomen van appellant over 2001 is met minder dan 15% gedaald ten opzichte van dit inkomen over 2000 -, de Wsf 2000 de IB-Groep dwingend voorschrijft uit te gaan van het in de wet aangegeven peiljaar.
Dat een andere door appellant voorgestane niet op de wet gebaseerde berekeningswijze tot andere uitkomsten leidt, maakt dit niet anders.
De IB-Groep heeft bij het nemen van een besluit tot weigering het peiljaar te verleggen niet de bevoegdheid van dit dwingende wettelijk voorschrift af te wijken op basis van redelijkheid en billijkheid. De toetsing van de rechtbank van dit besluit is beperkt tot het bezien of de IB-Groep overeenkomstig de wet heeft gehandeld. Redelijkheid en billijkheid kunnen ook in dit kader geen zelfstandige rol spelen.
Evenmin kan een rol spelen, nu de wetgever dit niet als criterium voor het verleggen van het peiljaar heeft opgenomen, dat appellant buiten eigen schuld in een situatie is geraakt die voor hem ongunstig uitpakt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zich geen situatie voordoet die de IB-Groep er toe had moeten brengen om met toepassing van artikel 11.5 van de Wsf 2000 de wet buiten toepassing te laten.
Dit kan slechts indien onverkorte toepassing van de wet, gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarvan is naar het oordeel van de Raad geen sprake.
De wetgever heeft aan de hoogte van in een peiljaar verkregen inkomsten gevolgen verbonden voor de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. De wetgever heeft voorzien dat deze regeling in bepaalde gevallen tot ongewenste uitkomsten kan leiden en heeft ter voorkoming hiervan een nadere regeling getroffen; de verlegging van het peiljaar.
De verlegging van het peiljaar is mitsdien reeds een uitzondering op de hoofdregel. Slechts in zeer bijzondere gevallen kan aanleiding bestaan om nog verdergaande uitzonderingen aan te nemen. Er moet dan sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien.
Van dat soort omstandigheden is in dit geval geen sprake. Dat inkomsten fluctueren is door de wetgever juist voorzien en daarvoor is een regeling getroffen.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.