ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht herziening nabestaandenuitkering wegens WAO-verhoging
Appellante ontvangt sinds 1 april 1998 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), waarbij haar WAO-uitkering in mindering werd gebracht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft haar nabestaandenuitkering meerdere malen herzien vanwege periodieke verhogingen van haar WAO-uitkering, wat leidde tot terugvorderingen en nabetalingen. Appellante betwistte de terugwerkende kracht van deze herzieningen.
De Raad stelt vast dat appellante al haar verplichtingen is nagekomen en dat zij redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat haar nabestaandenuitkering afhankelijk was van haar WAO-uitkering, inclusief de periodieke verhogingen. De Svb heeft een beleid waarbij terugwerkende kracht wordt toegepast tenzij dit kennelijk onredelijk is, waarbij factoren als verwijtbaarheid en impact op het dagelijks leven worden meegewogen.
De Raad oordeelt dat de Svb geen ernstig verwijt treft en dat de terugwerkende kracht niet kennelijk onredelijk is. Het beroep wordt daarom grotendeels ongegrond verklaard, met uitzondering van een deel dat niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt grotendeels ongegrond verklaard en de terugwerkende kracht van de herziening van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.