ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rente over nabetaling WW-uitkering en kostenveroordeling
In deze zaak heeft appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan betrokkene een WW-uitkering toegekend met ingang van 3 januari 1994. Na een verzoek tot herziening van het dagloon heeft appellant dit met terugwerkende kracht verhoogd, maar geweigerd wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat appellant te weinig rente had toegekend en dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was, waardoor appellant vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was.
Appellant erkende de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen omdat het dagloon was vastgesteld op basis van door betrokkene en zijn werkgever verstrekte gegevens en betrokkene geen rechtsmiddel had aangewend. De Centrale Raad onderschreef het standpunt van appellant deels, maar constateerde dat appellant rente over rente had verzuimd toe te kennen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit van de rechtbank, zij het op andere gronden, en bepaalde dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Appellant verzuimde rente over rente toe te kennen en moet een nieuw besluit nemen; tevens wordt appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten.