ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens handel in auto’s en gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand vanaf 1 september 2001 tot 1 januari 2004 op grond van de Abw en daarna de WWB. Het College trok de bijstand in wegens handel in auto’s en het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner, zonder dit te melden.
De Raad oordeelt dat appellant in de periode van 1 september 2001 tot 10 november 2003 handel dreef in auto’s, wat hij niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en terecht werd ingetrokken.
Voor de periode van 10 november 2003 tot 4 februari 2004 was sprake van gezamenlijke huishouding, waardoor appellant geen zelfstandig recht op bijstand had. Het besluit tot intrekking over deze periode wordt vernietigd omdat het College dit onjuist had beoordeeld.
De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van proceskosten en verklaart het beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het College wordt verplicht het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Intrekking bijstand bevestigd voor handel in auto’s tot 10 november 2003 en vernietigd voor gezamenlijke huishouding daarna.